‘LULLOLOGIE’ VERSUS ‘EMPATHOLOGIE’.*

Je herkent het vast ook wel dat je op t.v. je stoort je aan de zelfingenomenheid van een interviewer. Waarom wil hij die persoon dan interviewen terwijl het al bij voorbaat duidelijk is dat hij alleen zijn eigen idee wil verkondigen?

Ik erger me daar heel vaak aan. Deze journalisten noem ik ‘lullologen’.

De meest beroemde lullologen vind ik dan ook Jeroen Pauw en Paul Witteman, maar ook Mathijs van Nieuwkerk kan er wat van. Toch horen zij bij de zogenaamde intellectuelen op de t.v. en er wordt maar al te schamper gedaan over de vrouwelijke interviewers op t.v.

Vrouwen verstaan eerder de kunst van zich verplaatsen in de ander en zij weten  informatie naar boven te halen wat de ‘lullologen’ niet lukt.

Een prachtig voorbeeld vind ik nog steeds Catherine Keijl. Ze wordt bewonderd en verguisd maar verstond wél de kunst om welk onderwerp dan ook uitermate goed uit te lichten voor een breder publiek. Haar programma Catherine heeft menig controversieel onderwerp over het voetlicht gebracht.

Nooit heb ik haar erop kunnen betrappen dat ze het onderwerp niet zag zitten of vooringenomen was. Ze stelde verderreikende vragen waardoor je het thema meer ging begrijpen. Ze had zich heel goed ingelezen en had de verschillende opinies naast elkaar gelegd. Ze kwam beslagen ten ijs. Haar noem ik dan ook een ‘empathologe’.

Tegenwoordig kan elke artiest gevraagd worden voor een reactie op een belangrijk onderwerp. We hebben Ali B horen kletsen bij “De wereld draait door”  en elk willekeurig zangeresje moet zo nodig kommentaar geven op een internationaal liedjesfestival. Waar zijn de échte deskundigen gebleven?

Heb je weleens geluisterd naar vaklui van het puurste soort: Frenk van der Linden, Sven Kockelman, maar ook Hella van der Wijst van “De Wandeling” (en tegenwoordig Brandpunt)en Jacobine Geel die diepgravende thema’s bespreekbaar weten te maken?

Zij allen verstaan de kunst van de empathologie. Zij hebben zich in hun ‘onderwerp  verdiept, ingelezen en stellen niet de algemeen gangbare vragen, maar gaan een stap verder. Zij hebben ook recht van spreken omdat ze weten waarover ze het hebben.

Er zijn er op dit moment velen die deze kunst verstaan, maar helaas zitten de meesten bij kleine omroepen en hebben de lullologen nog steeds een voorsprong op de publieke omroep, met alle gevolgen van dien. De rellen in Haaren (Groningen) zijn daar een mooi voorbeeld van. Zelfs Mathijs van Nieuwkerken stookte het vuur verder op. Waar is hun voorbeeldgedrag en onderkennen zij wel hun grote verantwoordelijkheid?

Paul Rosemöller is voor mij weer zo’n uitzondering en zijn programma’s snijden hout. Ze worden helaas uitgezonden op een tijdstip dat de meeste kijkers op één oor liggen.

Zo kunnen nog steeds zingevingsonderwerpen rekenen op veel gebral van de lullologen die zich beroepen op hun atheïst zijn, maar werkelijk geen flauw benul hebben waarover ze spreken. John Gray van De Volkskrant zei daarover: “De anti-god brigade doet in haar fanatisme niet onder voor missionarissen en jihadi”. Of Arjan Visser, die als redacteur verbonden is aan Trouw en voor de krant bekende Nederlanders interviewde over hun geloof, terwijl hij zelf niet gelovig is: “Ik herkende vaak een boosaardigheid bij sceptici van het geloof, een fanatisme waar ik van schrok!”

Visser vind ik een mooi voorbeeld van iemand die zich vastgebeten heeft in zijn onderwerp als niet-gelovige en eerst een uitgebreide studie maakte, voordat hij de bekende Nederlanders ging interviewen. Hij kon zich goed inleven, zonder zelf gelovig te zijn.

Maarten Visser, filosoof en schrijver van “Nieuwe spiritualiteit” gelooft zelf ook niet, maar volgens hem stellen nieuwe spirituelen dezelfde vragen als oude gelovigen maar geven ze daar betere antwoorden op en kiezen ze voor een vorm die voor henzelf en anderen minder kwalijke gevolgen heeft. Antwoorden en vorm passen beter bij deze tijd, zijn toleranter, vriendelijker”.

Toch zie ik ook vaak een pedante arrogantie bij de zogenaamd nieuwe spirituelen als Eckhart Tolle, De Celestijnse Belofte, The Secret en de rammelende bewijsvoering in What the Bleep Do We Know. Zij zijn de nieuwe lullologen van deze tijd en verpakken oude kennis in nieuwe zakken en beweren dat zij degenen zijn die het ‘wiel uitgevonden’ hebben. Waak je voor dergelijke new-age-filosofen. Ik kijk graag naar hetgeen ze werkelijk gedaan hebben en ben benieuwd hoe zij tot hun theorie zijn gekomen. Verstaan zij de kunst om zich in de andere mens in te leven, in zijn manier van denken en doen, of hebben ze daar meteen een oordeel over?

Ik ben nog steeds diep geraakt door een uitspraak van Albert Einstein die het volgende zei: “Wat ik zeg is vaak gestoeld op intuïtie, niet op intellect!” en hij wordt notabene één van onze grootste geleerden genoemd.

Zo vertelde mijn oude overleden vriend Herman, die huisarts was, eens het volgende: “Ik ben lid van de farmaceutische maffia en eigenlijk wil ik eruit stappen om daadwerkelijk holistisch te kunnen werken met mijn patiënten. Ik weet namelijk dat alles met alles te maken heeft en ik dien ook op die manier met mensen en hun ziekten om te gaan. Alleen wordt me dat afgeraden door de farmaceutische industrie en daarvan ben ik teveel afhankelijk!”

Toen hij 60 jaar was, en zelf een hartaanval had overleefd, stopte hij rigoureus met zijn praktijk. Hij wilde de mens meer doorgronden en volgde bij ons enkele jaren van de opleiding. Puur voor zichzelf. Hij was immers een ‘mensen-mens’, wilde graag de diepe drijfveren van mensen kennen en was benieuwd hoe ziektes bij de een wél een kans kregen en niet bij de ander. Zo had hij 2500 patiënten in kaart gebracht die allemaal kanker hadden gekregen. De meesten waren gestorven en wat bleek uit zijn mini-onderzoek: “Het waren allemaal mensen die aardig waren voor anderen en onaardig voor zichzelf!”

Hij bedoelde hiermee: het waren mensen die nooit zichzelf vragen stelden als “Is dit nu wat ik wil met mijn leven? Doe ik het werk wat ik werkelijk van binnenuit graag wil doen? Ben ik gelukkig in mijn relatie of zit ik de rit uit? Luister ik naar mijn intuïtie of vind ik dat belachelijk? Zie ik ziekte en pijn als groeikans of wil ik zo snel mogelijk van die ziekte af? Besef ik wat ziekte mij komt vertellen of moet de dokter gewoon een pilletje geven en verder niet zeuren?”

Herman was een échte empatholoog: geïnteresseerd in mensen, in hun doen en laten en hij gaf nooit zijn mening over zaken waar hij niks van af wist. Zijn vaste reactie was: “Daar moet ik eerst het mijne van weten en dan zal ik het je zeggen!”

Deden dat maar meer mensen. Deden dat maar meer zogenaamde ‘voorbeeld-mensen’ op de t.v. dan zou de bagger die we dagelijks over ons uitgestort krijgen wellicht minder worden. We zijn teveel geïnteresseerd in mensen wanneer het slecht gaat – kijk naar het programma “Ik vertrek”, of “het Diner” – en te weinig in mensen wanneer het goed met hen gaat. Wanneer ze écht iets te vertellen hebben wat een meerwaarde heeft.

Leef ik dan in een ideale droom of houd ik me vast aan een illusie?

Ik ben er nog steeds van overtuigd dat we binnen ons werk de mens écht zien met al zijn mooie en minder mooie kanten. We zien de mens in al zijn deelpersonen, zowel de positieve als de schaduwkanten en juist dàt maakt mensen bijzonder

*De begrippen: lulloloog en empatholoog zijn door Loek zelf verzonnen. Ze zijn afleid van het begrip: praten als een kip zonder kop – ergens een mening over hebben maar er feitelijk niets van afweten. Ieder heeft toch recht op een mening is het algemeen goed, maar je kunt pas een mening vormen wanneer je iets bestudeerd hebt. Zonder kennis van zaken ergens een mening over verkondigen is een ‘lullologie’.

Empathie komt uit de therapie en betekent zich in kunnen leven in de ander. Tijdens een bijscholing voor psychiaters, therapeuten waar ik zelf deel aan nam, merkte één van de deelnemers op dat hij’zich niks bij homosexualiteit’ kon voorstellen. Ik reageerde als door een bij gestoken: “Wij moeten ons het heteroleven wél kunnen voorstellen!” Ik vind het juist fantastisch om allerlei samenlevingsvormen voor te stellen maar ook me te verdiepen in mensen met trauma’s, criminelen en lover boys. Steeds vanuit het uitgangspunt: “Wat drijft hen? Hoe zijn ze zo geworden?”

Het boekje “God is gek – de dictatuur van het atheïsme’ van Kluun uitgeverij Ten Have, 2009 was mijn grootste inspiratiebron voor deze blogtekst.

Op 25-06-2013, categorie: Blog door peterjan