SPELENDERWIJS

Ik mag gaan SPELEN is me verteld en onmiddellijk overvalt me een gevoel van HELP.

Ik heb nooit gespeeld. Er was altijd een serieuze ondertoon die ervoor zorgde dat wàt ik deed op de een of andere manier nuttig was.
Ik ‘speelde’ schooltje, maar deed dat zo fanatiek dat ik eigenlijk een voorloper was van de huidige kinderopvang en naschoolse begeleiding.

Ik ‘speelde’ priestertje, maar in werkelijkheid was ik aan het compenseren dat ik geen misdienaar mocht zijn in de kerk.

Ik leidde de wielercross in Elshout, maar in werkelijkheid was ik een goede organisator als tienjarige, wist ik sponsors warm te maken om iets kleins aan te bieden. Bij de bakker kreeg ik een doos negerzoenen, bij de fietsenmaker een bel, bij de kruidenier twee rollen Topdrop, bij de winkel waar ze simpele werkkleding verkochten, kreeg ik een paar sokken.

Alles was altijd met iets anders verbonden.

Ik weet nog dat ik met mijn zus en broer Drie Koningen ging zingen langs de deur. We haalden veel geld op en dat was voor de missie, maar mijn zus Han wilde wel eerst drie chocolade bollen (Bossche bollen) kopen voor onszelf voordat we het geld aan meneer pastoor gingen brengen.

Ik speelde wel eens in de hut. We hadden in een droge sloot een soort hut gebouwd waar we dan een boterham gingen opeten. Dat vond ik echt een sensatie.

En wat ik ook heel bijzonder vond, was met de hele buurt een spel spelen op straat. Een iemand was hem dan. De anderen stonden op grote afstand en degene die hem was, stond met de rug naar je toe. Die telde steeds enkele tellen, keerde zich dan snel om en je was er bij wanneer hij jou zag bewegen of lopen. Wanneer de hele buurt mee deed, was dit de sensatie van de week, of van de maand, want eigenlijk werd dit spel alleen in de zomermaanden gespeeld.

Mijn hele familie ging schaatsen in de winter. Ik niet! Ik kon het maar niet te pakken krijgen en al snel was ik gebombardeerd tot baanveger.

Ik kan me het voorjaar nog goed herinneren wanneer alle veldbloemen in bloei kwamen. Ik trok er dan graag op uit om grote veldboeketten te plukken voor ons ma. Die werden dan in wekflessen en jampotten gezet en aangezien moederdag ook altijd in de lente valt, was dàt de uitgelezen dag om met een ‘kromme arm’ langs de deuren te gaan. Bij de één kreeg ik sneeuwballen mee, bij de ander lelies of knageltjes (dialect voor seringen). Het resultaat was altijd dat ik veel vazen en vaasjes kon vullen en zo was voor ons ma Moederdag vooral een bloemenhulde.

Wanneer de neefjes en nichtjes langs kwamen, overviel me een triestheid omdat ik geen van hun spelletjes leuk vond. En al helemaal geen balspelen. Ik had een slechte oog-hand-coördinatie en het gevolg was dat ik de bal steeds op mijn gezicht kreeg of op mijn brilletje.

Maar ik ‘speelde’ wel graag Sinterklaas en was goed in mijn rol. Toch was dit niet écht spelen maar veel meer delen vanuit overvloed. Er was geen echte overvloed, maar in mijn kinderhand lagen altijd wel schuimpjes en hartjes waarvan  ik er enkele weg wilde geven.

Mijn ‘spelen’ heeft altijd een serieuze ondertoon gehad. Ook onze jaarlijkse speeltuindag naar Nederhemert. Er is daar een prachtige nostalgische speeltuin, alles dient zelf en op eigen kracht in beweging gezet te worden. Ik was zo’n kind dat overal één keer inging en daarna stond ik schommels te duwen of hielp ik te kleine kinderen op de wip. Altijd snel overgaan tot helpen en organiseren. Blijkbaar haalde ik daar de meeste voldoening uit.

Wat ik in de speeltuin wel altijd heel bijzonder vond, was de simpele kantine met heerlijke frites en ijs. Helaas dat kregen we nauwelijks. We namen een melkbus met water mee van huis op de ponywagen en enkele flessen limonadesiroop. Heerlijk gewoon! Toch was één frietje of ijsje de grootste beloning van zo’n dag. We mochten dan niet ‘spiegelen’ naar anderen. (anderen jaloers maken met ons ijsje of frietje). Dat waren nog eens tijden!

En of ik écht gespeeld heb? Ik weet het niet, want wanneer ik samen met mijn zus een luier om ons hoofd bond, waren we gezinsverzorgers die ons moeder kwamen helpen in het huishouden: we maakten de bedden op, deden de afwas, schilden de aardappels en vroegen dan aan ons moeder: “En mevrouw, wat wilt U dat er nog gedaan wordt?” Mijn  moeder speelde altijd goed het spel mee.

Kan jij je overgeven aan het kind in jezelf?

Wanneer heb jij voor het laatst geschommeld?

Hoe integreer jij spelen in je dagelijkse, drukke leven?

Op 13-05-2014, categorie: Blog door peterjan